Twee opleidingen, hetzelfde kwalificatiedossier, dezelfde stad. Op papier een logische fusie. Een jaar lang bouwden we samen aan een nieuw, gezamenlijk curriculum. Aan het einde van dat jaar begreep ik pas wat we werkelijk hadden gedaan, en waarom de opdracht van meet af aan een andere had moeten zijn.
Op papier klopte alles
De opdracht was helder. Twee teams die feitelijk hetzelfde diploma afgaven, moesten samen verder onder één vlag. Eén curriculum, één manier van examineren, één gezicht naar het werkveld. Financieel verstandig, onderwijskundig verdedigbaar, bestuurlijk gewenst. Ik zou het jaar gebruiken om die fusie inhoudelijk te laten landen.
En dus deden we wat je in zo’n traject doet. Werkgroepen, gezamenlijke studiedagen, een nieuw programma dat het beste van twee werelden moest verenigen. De weerstand die daarbij hoort, kwam precies op tijd: dit deden we altijd al zo, onze studenten zijn anders, dit werkt bij ons niet. Ik kende dat repertoire, en ik behandelde het als iets om doorheen te werken. Vertrouwen bouwen, luisteren, kaders stellen. Vakwerk, dacht ik.
De optelsom die niemand had gemaakt
Pas tegen de zomer viel het kwartje, en niet door een inhoudelijk inzicht maar door een simpele optelsom van wie er nog zat.
Team A was er niet meer. Niet uit onwil, maar omdat mensen hun eigen conclusie hadden getrokken. Docent voor docent hadden ze in de loop van het jaar een andere baan gevonden. Tegen de zomer had vrijwel iedereen van dat team een plek elders. De weerstand was nooit onwil geweest; het was een afscheid dat zich nog niet als afscheid had aangediend.
En team B? Dat zat met een fusie zonder fusiepartner. Alle energie, alle vergaderingen, alle compromissen waren gericht geweest op samensmelten met een team dat er straks niet meer zou zijn. Wat overbleef was geen nieuw, gezamenlijk geheel, maar één team dat een jaar lang naar een ander had staan kijken.
De weerstand was nooit onwil geweest; het was een afscheid dat zich nog niet als afscheid had aangediend.
De vraag die ik achteraf stelde
Na afloop van de opdracht bleef één vraag hangen, en die stel ik sindsdien aan het begin in plaats van aan het einde: wilden we deze twee opleidingen echt samenvoegen, of wilden we er eigenlijk van twee naar één?
Dat lijkt hetzelfde, maar het is het niet. Fuseren gaat ervan uit dat beide kanten meegaan naar iets nieuws. Dat vraagt om twee teams die willen en kunnen blijven. Ontbreekt een van die twee, dan is fuseren het verkeerde instrument. Dan is de eerlijke ingreep niet samenvoegen, maar de ene opleiding gecontroleerd uitfaseren en de andere ruimte geven om te groeien.
Uitfaseren klinkt hard. Maar het is vaak juist het zachtere pad. Je geeft de vertrekkende groep de rust om af te bouwen zonder de schijn dat ze nog aan iets nieuws bouwen. Je geeft de blijvende groep een heldere opdracht in plaats van een compromis met een fantoom. En je bespaart iedereen een jaar onderhandelen over een curriculum dat maar half in gebruik zal worden genomen.
Hoe je het verschil vooraf ziet
De fout zat niet in de uitvoering, maar in de aanname. We namen aan dat twee opleidingen met hetzelfde kwalificatiedossier ook twee teams met dezelfde toekomst waren. Dat hoeft niet zo te zijn. Sindsdien kijk ik bij een voorgenomen fusie eerst naar iets anders dan het curriculum:
- Wie wil hier over twee jaar nog werken? Vraag het, letterlijk, en tel de antwoorden op.
- Is de weerstand inhoudelijk, of is het een afscheid dat nog geen naam heeft gekregen?
- Bouwen beide teams aan de nieuwe opleiding, of bouwt er eigenlijk maar één?
- Wat gebeurt er als we niets samenvoegen en simpelweg één opleiding laten uitlopen?
Als de antwoorden wijzen op twee levensvatbare teams die er allebei bij willen blijven, dan is fuseren de moeite waard. Wijzen ze op een team dat al met één been buiten staat, dan is een fusie een dure omweg naar een uitkomst die je ook rechtstreeks had kunnen kiezen.
De les
Verandering in het onderwijs draait zelden om het perfecte plan en bijna altijd om de juiste diagnose. Mijn fout was niet dat ik de fusie slecht begeleidde. Mijn fout was dat ik een fusie begeleidde terwijl er iets anders aan de hand was. Sindsdien is mijn eerste vraag bij elk samenvoegingsverzoek niet “hoe krijgen we deze twee bij elkaar?”, maar “willen en kunnen deze twee überhaupt samen verder?”. Soms is het eerlijkste advies dat je kunt geven: fuseer niet, maar faseer uit.